Schooltuin: motor van het curriculum?

Februari, een mooie tijd om je bezig te houden met reflectie en vooruitkijken in de schooltuin. Wat ging afgelopen seizoen goed? Wat kan beter?

De schooltuin biedt allerlei mogelijkheden om kennis en vaardigheden op te doen die heel breed inzetbaar zijn. Een paar voorbeelden.

  1. Begin bij de bodem. Meten is weten. Bijvoorbeeld temperatuur, zuurgraad (pH), waterdoorlaatbaarheid. Elk van deze gegevens bieden mogelijkheden tot het oefenen van waarnemen en methodes van onderzoek maar van presenteren van resultaten in woord en beeld. Je kan ook koppelen met programmeren, meetinstrumenten en regulatiesystemen. Je kan opdrachten doen in het herkennen van allerlei organismen: bacteriën, schimmels, algen, planten, dieren welke iets kunnen zeggen over de vruchtbaarheid van de bodem. Ook hier zijn verschillende mogelijkheden voor toegepaste communicatie- en rekenvaardigheden.
  2. Plantplan maken. Dit kan aanleiding zijn voor onderzoek naar de eigenschappen en herkomst van onze voedselbronnen. Waar komt onze groente en fruitsoorten vaandaan? Hoe zijn ze verspreid in de loop van de tijd. Wat voor eisen stellen ze aan bodem, water en zon? Hoe worden ze bevrucht? Maak voor elke soort een kaart met daarop de uitkomst van je onderzoek. De kaart kan je buiten in de tuin plaatsen. Hoe maak je zoiets weerbestendig en hufter-proof?
  3. Welke soorten planten kan je bij elkaar zetten zodat ze elkaar helpen beter te groeien en plagen op een afstand te houden? Welke schimmels en insecten zijn nuttig voor de plant en hoe kan je die verleiden zich in jouw tuin te vestigen?
  4. Hoeveel compost en mulch heb je nodig voor je tuin? Bereken de oppervlakte van plandbedden en paden. Hoe dik moet de laag compost en mulch zijn? Wat is dan het volume wat je van de diverse materialen nodig hebt? Regel vervoer. Wat kost dat allemaal en wat levert het op? Denk daarbij in eerste instantie aan mensen, tijd en materialen. Wat heb je beschikbaar “in natura” en wat moet je omrekenen in geld? Waar zitten winst en verlies?

Je ziet dat je in het proces van het beheer van een schooltuin allerlei “vakken” kan terugvinden. Van rekenen en taal tot wetenschappelijk onderzoek tot succesvol ondernemen, aardrijkskunde, geschiedenis biologie, natuurkunde, scheikunde, wiskunde, diverse talen, economie. Het komt allemaal in samenhang en in een authentieke context aan de orde.

Leren op deze manier is ook zelf-evaluerend. Beheers je de competenties op goed niveau dan heb je lekker en gevarieerd eten. Maak je er niks van dan is honger niet uitgesloten. Samenwerken wordt gestimuleerd om het risico te spreiden. Samenwerken stimuleert ook leren van elkaar en kan prikkelen om meer te bereiken dan in je eentje. Een schooltuin is een plek voor sociale en persoonlijke ontwikkeling.

Permacultuur basiscursus

Compost: The Black GoldWat is nu precies de inhoud van de permacultuur basiscursus, soms beter bekend als PDC of Permaculture Design Course?

Een basiscursus is ontworpen als een serie lezingen van minimaal 72 uur met aanvullend praktische ontwerpoefeningen en creatieve leerervaringen. In de klassieke uitvoering is de cursus bedacht als een twee of drie weken durende residentiële cursus. Tegenwoordig vaak als een reeks van weekends verspreid over 8 tot 10 maanden uitgevoerd. Continue reading

Permacultuur is zoals permacultuur doet

P1050956Ritme en melodie

Permacultuur – als je de term als eens gehoord hebt – is vooral bekend als iets dat met voedsel-tuinieren te maken heeft. Minder bekend maar zeker zo belangrijk is dat permacultuur een manier van doen, kennen en zijn is, waarbij aandachtig naar de ritmes en melodie van de natuur geluisterd wordt op zoek naar de weg van de minste moeite en de beste opbrengst. Mensen spelen altijd een hoofdrol in permacultuurontwerpen: zij zijn de klanten die de opbrengst genieten, delen en teruggeven.
Ritmes zijn er talloze. Denk aan dag en nacht, getijden, seizoenen en jaren. Melodieën zijn er zoveel als er elementen zijn in een permacultuurontwerp. De kunst is om van de kakofonie van willekeurige elementen een welluidende symfonie te componeren die zichzelf in stand houdt, meegaand en reagerend met de ritmes van de natuur en de voortdurende veranderingen in de wereld.

Schaal

Wat biomimicry is voor het vergroenen op industriële schaal is wat permacultuur is voor het veerkrachtig maken van ons leven op menselijke schaal.
De grootste uitdaging van permacultuur is dan ook niet het ontwerpen van kleinschalige veerkrachtige zelfvoorzienende gemeenschappen, maar het ontwerpen van niet-confronterende transformaties van onze industriële wereld. Inspiratie kan je vinden in de meegaande discipline van Aikido: de krachten van de danspartner geleiden naar transformatie en metamorfose – geen schokkende confrontatie van werelden maar Dali-esque vervloeien naar minder verspilling en meer genoegen in het leven voor alle betrokkenen. Als alternatieve strategie voor industriële opschaling lenen we in permacultuur daarvoor “hiërarchie van systemen” als ontwerpprincipe uit de systeemleer*.

Gedragsverandering

Een andere peiler van permacultuurontwerp is gedrag en gedragsverandering. Elk ontwerp valt of staat met wat de klanten er mee doen. Klanten worden uitgedaagd oude “slechte” gedragspatronen te verbreken en zich nieuw meer “met de natuur mee” gedrag eigen te maken. Het probleem ligt hierbij niet zozeer in de moeilijkheid van het comfortabel met de stroom van de natuur meedrijven, maar in het loslaten van de ingesleten gewoonte het op de moeilijke manier te doen. Goed permacultuurontwerp is daarom ook altijd een educatief avontuur voor ontwerper en klant waarbij doen, kennen en zijn samenkomen.

*voetnoot: Donella H. Meadows. Thinking in Systems: A Primer. 2008.

Vleesvervangers?

Vleesvervangers? Is dat niet de omgekeerde wereld?

Mensen zijn alleseters. Vleesvervangers suggereert/associeert planten als nep-voedsel (plantaardig) als onderscheid met echt voedsel (vlees).

Afgeleid voedsel

Mensen en (andere) dieren zijn niet in staat zelf voeding (bouw en brandstoffen) te produceren uit water, koolzuur- en stikstofgas, wat mineralen en zonlicht. OK, er zijn creatievelingen die nog wat dieper graven in de chemische keuken en zonlicht vervangen door zwavel, methaan of stikstofverbindingen als energiebron. Maar over het algemeen praten we over op zonlicht gebaseerde zelf-voeders (foto-autotrofen). Planten leveren de primaire oogst. Micro-organismen en groene planten zijn de echte voedselproducenten op aarde, de rest is daar van afgeleid en afhankelijk.

Vlees is afval

Die koe in de wei staat niet te zonnen om vlees voor je hamburger te maken. De koe eet gras, gebruikt 90% van de energie die het gras heeft gemaakt uit lucht, water en zonlicht om zichzelf te voeden, te groeien en te reproduceren. Wat rest (ook bekend als afval)10% van de input eten wij dan weer. Dat is mooi 90% verlies! Koeien, varkens, kippen en dergelijke zijn dus enorme concurenten van mensen als het gaat om voeding. We starten met voedzame planten, gooien 90% weg en consumeren dan wat overblijft.

Vlees is een plantvervanger

Vlees is dus een plantvervanger in de zin van voeding. Het is een heel verkwistende plantvervanger alleen al uit oogpunt van verspilde energie en middelen. Tel daar nog bij de inherente problemen van industriële schaal en je bent helemaal klaar voor een economische en ecologische ramp. Daar glijden we nu steeds sneller naar af.

Minderheid

Mensen zijn behoorlijk in de minderheid als het gaat om voeding. Slachtvee, melkvee en pluimvee staan vooraan bij het uitdelen van voedsel in Nederland. Zo zijn er bijna 4 miljoen koeien, 12,5 miljoen varkens en bijna 100 miljoen kippen in Nederland. Koeien en varkens eten nagenoeg net zo veel als mensen. Laten we veronderstellen dat 30 kippen ongeveer even zwaar zijn als een mens, dan kom nog eens ruim 3 miljoen “mens-equivalenten’. Totaal dus 19,5 miljoen eters. De te voeden bevolking is in Nederland dus niet bijna 17 miljoen eters, maar 36,5 miljoen eters, waarbij mensen in de minderheid zijn. Willen we al die extra eters aan tafel of zullen we dat smakelijke en voedzame plantaardige voedsel gewoon zelf eten?

Energie in de ecologie

Howard T. Odum is een ecoloog die beschouwd mag worden als een belangrijke bron van inspiratie en informatie voor David Holmgren in de ontwikkeling van permacultuur. Odum deed fundamenteel onderzoek naar energiestromen in ecosystemen. Hij maakte (als eerste?) helder inzichtelijk dat de energie in ecosystemen vanaf de primaire productie door planten, snel bergafwaarts gaat in de consumptie door planteneters, vleeseters en afvaleters. Zie ook Wikipedia.

Leidraad in elke duurzame ontwikkeling en ecologisch verantwoorde economie zou deze simpele en heldere inzichten moeten volgen. De rest is gewoon fysieke onzin.

Behoefte aan cool

Vlees is kennelijk de behoeft aan uitdrukking van macht en overvloed. In onze cultuur gaat het allang niet meer om gezondheid en voedingswaarde. Het gaat om geld en machtsvertoon. De ombuiging is dus niet zozeer in het vervangen van de voedingswaarde van vlees, want die is eigelijk -90%. Maar meer een kwestie van een gedachtensprong naar plantaardig voedsel als het summum van overvloed en aanzien. Plantaardig! is cool!

Feestje dat we niet meer willen vieren

7 Miljard Mensen


(film van National Geographic via YouTube – met excuus voor de hinderlijke reclame)

De Verenigde Naties laat weten dat we vanaf vandaag – naar hun officiële schatting – met 7 miljard mensen zijn. In 1987 (5 miljard mensen) en 1999 (6 miljard mensen) werd dat nog als een mijlpaal van verdienste geroemd, nu is het een feestje dat we niet meer willen vieren.

2050: Krimp

De aanwas was het snelst tussen 1987 en 1999. Toen duurde het maar 12 jaar tot de volgende miljard. Van 1999 tot 2011 duurde het ook 12 jaar. Vanaf nu verwacht/hoopt men dat het volgende miljard (8) pas over 15 jaar bereikt zal worden. Een periode van minder groei dus.

Vanaf 2050 verwacht de VN dat de bevolking van de wereld zal AFNEMEN. De groei is al aan het vertragen, maar met de verwachtte 9,6 miljard in 2050 zal het maximum bereikt zijn.

Aangezien mensenarbeid de ultieme beperkende (eigenlijk: enige) factor is in ons moderne financiële systeem, betekent dit automatisch en onvermijdelijk dat daarmee ook het einde van de “economische” groei in zicht komt. Minder mensen is minder arbeid en minder markt. Dit is de grens van de “economische” groei.

Gezien de gigantische leningen (=toekomstige arbeid) die we nu al niet meer kunnen terug betalen, ligt het logische wijs voor de hand dat de hamer al ruim voor 2050 zal vallen.

Goed gezelschap

Het mooie van een klein tropisch eiland als Statia, ongeveer 32 km2, is dat natuur en cultuur zo dicht bij elkaar liggen. Land- en tuinbouw velden liggen op een paar kilometer afstand van min of meer oorspronkelijk tropische savanne en oerwoud.

Gemeenschap

In het natuurlijke oerwoud is goed te zien dat vele planten, dieren en andere organismen een hechte gemeenschap vormen. Ze ondersteunen elkaar, beschermen elkaar, voeden elkaar. Een levende gemeenschap die onderling ecosysteemdiensten uitwisselt.

Isolatie

Land- en tuinbouw selecteert en isoleert één soort uit het geheel die als commercieel gewas (cash crop) worden verbouwd. De natuurlijke ecosysteemdiensten, zoals bescherming tegen plagen en ziektes of voorzien in de kringloop van voedingsstoffen, moeten in een dergelijk systeem worden overgenomen door de boer. Anders stort het systeem in elkaar.

Combinatieteelt

Combinatieteelt is een methode die in permacultuur graag toegepast wordt. Traditioneel hebben we het dan over enkele gewassen die elkaar ondersteunen. Maar hoe dichter de natuurlijke situatie wordt benaderd hoe minder energie en middelen de boer hoeft te besteden aan het instandhouden van een veerkrachtig en ‘stabiel’ productiesysteem.

Integraal productiesysteem

Een duurzaam productiesysteem bevat organismen uit alle domeinen van Leven: planten, dieren en microorganismen. Deze vormen een hechte gemeenschap, net zoals het natuurlijke voorbeeld. Het verschil is dat het bewust ontworpen is door de mens, speciaal aangepast aan de plaatselijke omstandigheden. Een integraal systeem dat zich ontwikkeld in de loop van de tijd. Waarbij de economische groei zit in de toename van biodiversiteit en de veelzijdigheid van nuttige opbrengsten.

Bomen besparen bemestingskosten

Onlangs verscheen een artikel in International Journal of Agricultural Sustainability met de pakkende titel: “Agricultural success from Africa: the case of fertilizer tree systems in southern Africa (Malawi, Tanzania, Mozambique, Zambia and Zimbabwe)

Boeren in zuidelijk Afrika besparen zich veel geld door het planten van vlinderbloemige bomen die met behulp van bacteriën in wortelknolletjes stikstof uit de lucht vastleggen en daarmee op natuurlijke wijze zorgen voor de bemesting van de gewassen er om heen.

Combinatieteelt zoals hier toegepast is een veel gebruikte techniek in permacultuur ontwerpen.

De auteurs (Ajayi, Oluyede Clifford; Place, Frank; Akinnifesi, Festus Kehinde; Sileshi, Gudeta Weldsesemayat) doen verslag van de uitdagingen in de Afrikaanse landbouw, zoals de uitputting van de bodemvruchtbaarheid ondanks toenemende hoeveelheden kunstmest (en bestrijdingsmiddelen), de afnemende opbrengsten en de groeiende kosten. Een verschijnsel dat we ook tegenkomen in ons eigen land. De oplossing die ze voorstellen is een bemesting bomen systeem (Fertiliser Tree System).

In Nederland zou dat ook prima toegepast kunnen worden. Naast inheemse boomsoorten als Elzen en Berken, kunnen ook exoten als Robinia worden gebruikt. De bomen bieden meteen leefruimte voor allerlei vogels en insecten die plagen in toom kunnen houden. De bomen kunnen  door snoeien ook voedsel voor vee opleveren, terwijl ook regelmatig hout geoogst (knotten) kan worden voor allerlei doeleinden. Houtsnippers kunnen bijvoorbeeld dienen als substraat voor eetbare paddestoelen en als mulch die over langere tijd de bodem beschermt, vocht vasthoudt en voedingsstoffen in de bodem brengt.

Papaver

Papaverum rhoeas

Alle soorten in deze familie zijn in meer of mindere mate verdovend/slaapverwekkend. De minst “actieve” slaapverwekker is de bekende klaproos. De klaproos is familie van de slaapbol, Papaverum somniferum. De klaproos hoort bij een gilde van planten die typisch zijn voor bodem met een grote dynamiek zoals de rand van een akker of plantbed. Net als de korenbloem en kamille.

De doosvruchten zijn vanaf september plukrijp als ze grijsbruin van kleur zijn; droog ze in een papieren zak.

De zaadjes zijn goed eetbaar en kennen wij als maanzaad, te gebruiken in brood, koekjes, fruit en pasta.

Darwin & permacultuur

12 februari is Charles Darwin’s verjaardag. Beroemd en bekend van onder meer zijn reis om de wereld met de Beagle. Niet alleen vanwege de inspiratie die hij opdeed voor zijn evolutietheorie.

Sinds kort weten we ook dat hij de bedenker was van een experiment in biotoopontwerp – permacultuur avant la letre.

Ascension

Midden in de Altantische oceaan tussen Afrika en Zuid Amerika, een piepklein vulkanische eiland met strategische locatie voor zowel de US als UK marine. Darwin kwam er langs in 1836 op zijn weg terug naar huis met de Beagle. Het was toen een kale vulkaan waar geen zoet water te vinden was vanwege het ontbreken van vegetatie om neerslag te vormen.

Samen met de Britse marine en mensen van Kew Botanical Gardens ontstond het plan om er een kunstmatige biotoop te ontwikkelen. Uit heel de wereld werden allerlei soorten planten bijeengebracht op het eiland. Zoals bamboe, bananen, Norfolk Pine en eucalyptus. In 20 jaar ontstond er een weelderig oerwoud met overvloedig zoet water.

De militaire aard van het eiland maakt het tot op de dag van vandaag zeer ontoegankelijk voor onderzoekers en andere belangstellenden. Dr Dave Wilkinson, een ecoloog uit Liverpool, liep er acht jaar geleden bij toeval tegenaan en schreef er een artikel over. Hij suggereert ondermeer dat Darwin’s experiment lessen bevat voor ‘greening’ van woestijnen en terraforming van planeten als Mars. Gewoon: permacultuur, eigenlijk.

Zie ook: Journal of Biogeography (“The Parable of Green Mountain: Ascension Island, Ecosystem Construction and Ecological Fitting,” Volume 31, page 1-4)

Permacultuur & patronen

Werken met patronen is een van de centrale concepten in permacultuur. Daarbij gaan we uit van natuurlijke patronen en vervangen zo veel mogelijk “niet-nuttige” elementen door vergelijkbare elementen die (meer) nut opleveren voor de mensen in het betreffende ecosysteem.

Zelforganisatie

Zelforganisatie is het proces waarbij in een chaotisch systeem spontaan structuren ontstaan. Bij elk chaotisch systeem waar een kracht aan toegevoegd wordt, bijvoorbeeld straling van licht of geluid, ontstaat er in grotere of kleinere mate een zelforganisatie.Deze structuren kunnen een steeds complexere vorm aannemen. Het ontstaan van structuren op kwantum-, atomair en moleculair niveau wordt mogelijk gemaakt door de werking van de natuurwetten. nl.wikipedia.org

Een paar dingen vallen hierbij op. Zelforganisatie is onvermijdelijk. Zelforganisatie treedt op door interactie tussen elementen wanneer ze bij elkaar in de buurt komen. Zelforganisatie is recursief, dat wil zeggen de structuren die door zelforganisatie ontstaan zijn zelf ook weer elementen die zich ook weer spontaan tot structuren organiseren. Elementen zijn structuren die ontstaan uit de zelforganisatie van uit de interactie van kleinere elementen.

Voorwaarden scheppen

Een belangrijk kenmerk van zelforganisatie is dat niemand doelbewust structuren in een systeem aanbrengt. Iemand kan natuurlijk wel voor de voorwaarden zorgen waardoor zelforganisatie kan plaatsvinden.nl.wikipedia.org

Een ander concept in permacultuur ontwerp is het scheppen van voorwaarden waardoor zelforganisatie kan plaatsvinden. Daarbij speelt de plaatsing van elementen een belangrijke rol, naast het ingrijpen in de fysieke vorm van een locatie door middel van grondwerken en het aanbrengen van harde landschapselementen. Ook kan een ontwerper bewust (wind, water, zon) energie toevoegen of juist tegenhouden om zelforganisatie te manipuleren.

Nuttige(r) opbrengst

Specifieke eigenschappen van de elementen bepalen het resultaat van de zelforganisatie en leveren herkenbare en herhaalbare patronen op. De gedachte (theorie) achter permacultuur ontwerp is dat elementen in patronen vervangbaar zijn door elementen met vergelijkbare eigenschappen zonder de veerkracht van die patronen te verstoren.

Hoewel er vanuit traditionele overlevering veel anekdotische aanwijzingen zijn dat dit werkt, is er nog weinig wetenschappelijk onderzoek bekend op dit gebied.

Biodiversiteit

Permacultuur, zelforganisatie en biodiversiteit lijken hand in hand te gaan. Op locaties waar zelforganisatie plaatsvindt, neemt de biodiversiteit toe. Dit is mogelijk een onvermijdelijk en spontaan effect van zelforganisatie. Biodiversiteit volgt het ontstaan van niches -functies- in ecosystemen. Door de structuren -patronen- als gevolg van zelforganisatie ontstaan steeds nieuwe functies die vervuld worden door nieuwe innovatieve (organische) elementen. Organismen passen zich aan om die nieuwe functies in te vullen. Toename van biodiversiteit in zelforganiserende systemen lijkt dus ook onvermijdelijk.

Veerkracht

Nog een permacultuur ontwerp principe is dat verschillende elementen worden ingezet voor het vervullen van een functie en dat elk element meerdere functies vervuld. Meer biodiversiteit leidt onvermijdelijk tot meer veerkracht en omgekeerd leidt minder biodiversiteit tot minder veerkracht. Het financiële (virtual) “schaalvoordeel” van grootschalige monocultuur gaat ten koste van de veerkracht en de duurzaamheid van de functionele opbrengst, zoals voeding en andere fysiek (real world) nuttige producten en ecosysteem-diensten.

Mechanismen van zelforganisatie

Zelforganisatie kan ontstaan door de inwerking van energie op materie. Bijvoorbeeld zwaartekracht werkt in op ballen of appels, waardoor deze zich zullen verzamelen op de bodem (van een bak of iets dergelijks). Of geluidstrillingen die inwerken op zandkorrels.

Zelforganisatie volgt vaak wiskundige reeksen zoals Fibonaci, gulden snede en harmonieuze reeksen.

Zelforganisatie komt ook voor in cellulaire automata (CA), elementen die aan de hand van het waarnemen van hun buurcellen (informatie) en eenvoudige interne regels voor de eigen toestand, komen tot complex gedrag. Conway’s Game of Life is een voorbeeld. CA’s worden met succes gebruikt als verklarend model voor allerlei fenomenen in de natuur, bijvoorbeeld in hydrodynamica, groeipatronen in kristallen en slakkenhuizen.